Gemma Bouwman
Dat de architecturale traditie van een land grote invloed kan hebben op de beeldvorming is in Gemma Bouwman haar werk duidelijk terug te vinden. Reizen naar verre landen en contact met andere culturen vormen voor haar een onuitputtelijke inspiratiebron. “Het zijn vooral de dingen waar je gemakkelijk overheen kijkt, of waarvan je geneigd bent ze te vergeten, die ik in mijn werk gebruik.” Zo zijn de gevulde waterkruiken in Egypte, die je overal langs de weg tegenkomt voor de dorstige voorbijganger, een goed voorbeeld. Op deze wijze licht Gemma van ieder land een bepaald element of beeld uit dat dan door haar, zoals zij het heeft ervaren, wordt vormgegeven in een serie werken over dat land. Naast dit verwerken van elementen uit de geschiedenis en cultuur van een land worden door Gemma ook geabstraheerde vormen en vooral kleuren gebruikt om een sprekende indruk van een gebied te geven. “Ik moet dingen voelen, het broeierige of het soms ongecompliceerde van een tropisch land, dat gevoel moet ik in kleuren neerzetten. Daarvoor moet ik dan wel eerst afstand genomen hebben en het laten bezinken. Bijvoorbeeld ook de lichtjes van een stad die je op een afstand kunt zien. Daar speelt zich iets af, iets dat ik wil kennen. Het onbereikbare fascineert me en dat probeer ik weer te geven in mijn werk.” In veel landen ervaart Gemma een verstilling van iets dat geweest is en nog doorstraalt naar de toekomst, maar in haar afwezigheid plaatsvindt. Deze verstilling is navoelbaar in haar oeuvre. In de krachtige combinatie van abstracte en herkenbare elementen of objecten wordt de beschouwer een blik gegund in de persoonlijke belevingswereld van de kunstenaar. Een wereld die door haar schilderijen toegankelijk wordt gemaakt en ruimte overlaat om zelfs een eigen verhaal te verbeelden. “ De toeschouwer moet in mijn werk altijd de vrijheid voelen om de beelden aan zijn of haar eigen belevingswereld te relateren. “Het is het visuele reisverslag van Gemma zelf, maar waar die reis zich afspeelt is voor de kijker eigenlijk onbelangrijk. Het gaat om een beleving in vorm en kleur die toegankelijk is voor de ander. Gemma werkt met gemengde technieken. In haar olieverfschilderijen maakt ze vaak gebruik van een techniek die voortkomt uit haar verleden als etser. Stapelingen van architectuurvormen, krassen, arceringen en andere ingrepen maken de huid van het schilderij interessant. “Door gebruik te maken van uiteenlopende technieken roep ik een bepaalde spanning op die je nooit met een kwast alleen zou kunnen laten ontstaan.”
Saskia Heuer
De figuren van de schilderijen van Saskia Heuer(1956) zijn aanwezig met lef, maar als het doorschijnen van een jurk verraadt hoe fragiel en zacht het lichaam is, of wanneer ontdekt wordt dat ze op haar hoge hakken minder stevig staat dan in eerste instantie misschien leek, blijkt dat wat zich afspeelt op het doek niet in een blik te vangen is. Saskia Heuer schildert met olieverf op zeer grote doeken, maar ook op kleine paneeltjes of karton. Dit is afgewisseld met periodes waarin ze met gemengde technieken op papier werkt. Haar schilderijen ontstaan over het algemeen vanuit kleine tekeningen, die ze overzet op een groter formaat met een doorgaande lijn. Aan het begin staat de compositie grotendeels vast, de eerst opzet wil ze zo veel mogelijk behouden. De uitdaging is dat het haar ook lukt. Ze schuift en verschuift, maar probeert dit te beperken. “Het is fascinerend om een schilderij te laten ontstaan; schilderen is toveren!” Eerder ging het in haar werk om universele thema’s, nu is het vooral gericht op de mens als individu. Zo maakte de kunstenares de bruiden, de diva’s en de actrices. Het is niet te zien of ze gelukkig zijn, ze zijn ondoorgrondelijk. Ze willen leven, ze verlangen, ze dagen uit maar zijn tegelijkertijd timide, dromerig, vermoeid en geketend. De schilderijen van Heuer lijken laag over laag te zijn gegroeid. Zware, lichte en frivole elementen wisselen elkaar af.
Eugenie Sassen
Verhalend, kleinschalig en fleurig als een ‘veldboeket’. Eugenie Sassen schildert landschappen, maar niet in de letterlijke betekenis van het woord. De landschappen worden bevolkt door schijnbare gestalten, mensfiguren, bloemen, planten, dieren en diverse bouwsels. Omdat de werken geladen zijn met kleur, er heel veel gebeurt zowel in vorm, beeld als structuur, ontstaat ruimte voor persoonlijke interpretatie. Het kleurgebruik is in vele lagen opgebouwd, soms effen en vlak en direct gebruikt, naast delen met een aquarelachtige transparantheid. Het gebruik van de verschillende materialen, verf, kleurpotlood, vetkrijt en grafiet geven het werk een gelaagdheid, een huid die zindert van materialiteit. Het creatieve proces wordt gekenmerkt als een zoektocht naar het samenvoegen van elementen tot een juiste balans. Zo vormen de werken het levensverhaal van deze kunstenares, van figuren die hun weg gaan door steeds wisselende landschappen: metaforen van een persoonlijke historie.
Janna Hopman
De hoge ramen in het atelier van Janna Hopman bieden een prachtig uitzicht over de boommarkt en het water van de nieuwe Rijn. Het is een werkplaats zonder opsmuk: hier wordt geschilderd. De tijdgeest van “druk, druk, druk” haast- en vliegwerk, is door haar met een grote bezem de deur uitgejaagd. Dezelfde rust en levensvreugde is terug te vinden in haar schilderijen Interieurstilleven is de grootste constante is haar werk. Dat zij interieurs en stillevens schildert betekent echter niet dat de mens buiten beeld blijft. “Er is uiteindelijk niets boeiender dan de mens, maar net als in de poëzie kunnen de subtiele menselijke belevingen vaak raker beschreven worden tussen de regels door.” Veel van de stillevenobjecten worden dan ook juist als stille getuigen ingezet van momentopnamen in de tijd. Getuigenissen van het goede leven. Een ode aan onze dagelijks terugkerende kleine geneugten, dromen en verlangens. Iemand vergeleek haar werk eens met een decor waarin de voorwerpen worden ingezet als toneelspelers met een verhaal. Technisch gezien zijn haar schilderijen vaak opgebouwd uit meerdere flinterdunne lagen acrylverf, al of niet in combinatie met gemende technieken, waardoor de huid van het doek een doorleefd karakter krijgt. Daarin worden de voorwerpen, in een krachtige klare lijn neergezet.
Marijn Morée
Marijn Alexander Morée werd op 7 juni 1951 in Den Helder geboren. Hoewel hij nog steeds in Nederland woont, werkt hij de meeste tijd in Bar-sur-Aube (Frankrijk) waar hij zijn atelier heeft en in alle rust kan schilderen. Via Rudi van de Wint maakte hij kennis met het schildersvak. Zijn jeugdwerk lijkt verrassend veel op het werk dat de kunstenaar nu, 35 jaar later, maakt. Zijn eerste exposities worden gehouden nog voordat hij met zijn opleiding begon. Van 1971 tot 1975 studeerde hij grafiek en architectonische vormgeving aan de Gerrit Rietveld Academie te Amsterdam. Tot 1979 werkte hij als architect en schilderde hij niets. Maar het bloed kruipt nu eenmaal waar het niet kan gaan. Van de een op de andere dag hield hij de tekentafel voor gezien. Vier jaar lang zeilde hij met zijn vrouw Yvonne de wereld rond en woonde in Spanje, Italië en Griekenland. In 1985 begon hij weer met schilderen en had onmiddellijk succes met zijn heldere en kleurrijke schilderijen en objecten. Sindsdien exposeert hij in binnen – en buitenland; zijn werk wordt verzameld door particulieren, bedrijven en instellingen. Zijn werk wordt met regelmaat aangehaald in allerlei artikelen in kranten en (kunst) tijdschriften. In 1994 wordt zijn eerste monografie gepubliceerd.
Miriam Slaats
Miriam Slaats wer in 1958 geboren te Waalwijk. Als kind is Slaats altijd “anders”, bedenkt dingen die niemand anders bedenkt en sleept iedereen mee in de uitvoering van haar creatieve plannen. Na de middelbare school gaat Slaats werken in plaats van studeren, om op die manier een onafhankelijk en zelfstandig leven op te bouwen. In 1983 neemt Slaats het besluit de opleiding Grafische en Publiciteitsvormgeving aan de Academie voor Beeldende Kunsten in Maastricht te gaan volgen. De dynamiek van het reclamevak en het idee in dit vak “anders” te kunnen zijn, doen haar voor deze opleiding kiezen. In 1988 studeert ze af, maar tijdens de studie heeft het reclamevak al een belangrijk deel van zijn glans voor haar verloren. De vrijheid van de toegepaste kunst blijkt beperkt te zijn en de autonomie van de creativiteit is binnen de reclamewereld een fictie. Toch is Slaats zo’n vijf jaar werkzaam als freelance art director, schildert daarnaast en exposeert regelmatig door het hele land. Een aantal ingrijpende gebeurtenissen in haar leven doen haar in 1994 besluiten zich definitief volledig toe te leggen op het vrije kunstenaarschap. Haar werk bestaat voornamelijk uit schilderijen in acrylverf op doek of papier, maar een enkele keer ook uit objecten, waarvoor ze als basis door anderen gemaakte dragers gebruikt. Een voorbeeld hiervan is bijvoorbeeld “De Stoel” van Rik Felderhof, die onder Slaats’ handen werd verheven tot “een troontje van leven” (1995-1996).
Paul Vincken
Paul Vincken (1952) is een autodidact. Kunst is voor hem echter géén keuze geweest, hij is er mee geboren. Na een opleiding als reclameschilder is hij als 19-jarige gaan werken bij een keramisch kunstatelier. Daar heeft hij 10 jaar samengewerkt met allerlei kunstenaars uit binnen- en buitenland. Zij hebben de artistieke en technische basis gelegd voor zijn huidige werk en hem een zekere voorliefde voor keramiek bijgebracht. Zijn keramische beelden, voornamelijk vrouwenfiguren, combineert hij vaak met roestvrijstaal of een ander materiaal. Sinds 1982 beweegt hij zich als zelfstandig beeldend kunstenaar. Vanaf die tijd is hij langzaam maar zeker ook in brons gaan werken en heeft hij zijn liefde voor schilderen gevonden. Dit laatste echter op zeer groot formaat; doeken van 1,5 tot 3 meter.
René van der Meulen
René van der Meulen (1940, Beverwijk) begon zijn carrière in de kunst, destijds als fotograaf. Zijn experimentele foto’s werden in de jaren zeventig samen met werken van Ed van der Elsken en andere bekendheden opgenomen in collecties van het Stedelijk Museum, het Frans Hals Museum en het Prentenkabinet in Leiden. René van der Meulen ervaart het schilderen als een volledige overgave, een gevecht met de materie, waarin het beeld uiteindelijk de winnaar zal zijn. De kunstenaar schildert met kwasten, maar snijdt, krast en drukt de verf ook met de vuisten op het doek. Fysiek contact met het doek is essentieel om tot een goed eindresultaat te komen. De schilder spreekt zelfs van “geselen”. Hij houdt van direct en vlug werken, reden waarom hij snel drogende acrylaten en acrylaatverf gebruikt en geen traag drogende olieverf. Grotendeels autodidact ontwikkelde Van der Meulen een heel eigen stijl van schilderen, die zelden zonder het gebruik van collages gaat. In het prille begin volgde hij enkele lessen bij de schilder Boot, die onder meer ook Anton Heyboer op weg heeft geholpen. Hij schilderde enkele jaren terug uitsluitend op papier. Gooijer Fine Art stimuleerde hem echter op linnen over te gaan en is nu het medium waarbij de kunstenaar zich het best thuisvoelt.
Sjer Jacobs
Sjer Jacobs (1963) volgde bij Désirée Tonnaer lessen aan de Academie voor Beeldende Kunsten in Maastricht en deed de HKLS afdeling Docentenopleiding te Sittard. Even heeft Sjer les gegeven, maar dat beviel hem allerminst en al snel vond hij de weg naar het beroepskunstenaarschap. Hij is zowel beeldhouwer als schilder. Sjer Jacobs ontleend zijn thema’s aan zijn directe omgeving. Mensen vormen daarbij zijn meest belangrijke inspiratiebron. Hij observeert ze en beeldt ze uit. Hoe ze kijken, zich gedragen, hun houding, oogopslag, wat ze dragen, alles is van belang. Niet zelden zal men onvermijdelijke overeenkomsten met zichzelf of anderen in Sjer’s werk ontdekken. Illusie en werkelijkheid zijn nauw met elkaar verwant. Sjer werkt met zeer verschillende materialen: brons, tin, glas, staal, hout, kunststof, olieverf en inkt. Zijn werk is zowel twee– als driedimensionaal. Materiaal en techniek stellen hem in staat een eigen sfeer te creëren, die het eigene van het werk versterkt.